Weet je nog (vurig)

Dat de houtskolen kat van je schoot vergat wat hij was,
zich omhulde met houtgekrulde ledigheid; over zijn oren getrokken,
zij het zijn zelfgebreide mutsje van omissie.

Hoe we de houtskolen kat van je schoot zouden hervinden? Simpel:
we zouden elkaar de vegen, strepen en pootjes in de gordijnen voorlezen
tot we zijn naam uit zouden fluisteren die de vlam zou flikkeren.

Van lieverlee blakerden we zo in zijn kielzog alles wat ons was:
mijn houtskolen handen hielden jouw houtskolen jukbenen
als theekopje, kolenkussen flirtten in het weerklinken van mij op jou op jou op mij.

Zo dempte het zich in wedergeven, zo losten we op, jagend
op verhalen die we juist niet aan konden raken, af konden maken.
Verhalen verwoord van het stilste soort.