VASTER

De maan ziet me, tot mijn enkels in de honing,
hogerop in onvermogen de nacht te kantelen.
“Het is geen kwestie als je je ogen sluiten kunt.
Maar de buren boren en de vensters blazen
en de dieren moorden.” De troost verlaat je, terwijl
je jouw hand vaster om de mijne sluit.

"We zijn de sierkarpers,” zeg ik.
“We zijn de rouwtroepialen,”
jij, met mijn lippen op je slaap. Ik leg je neer,

we wankelen niet meer,
we zoenen om vast te stellen waar stilte mist.

Je kapte ankers, kleren verteerden, wat dagen
op een stapeltje in de zachte hoek van je oog.

We zijn thuis, de ruis komt navenant.