MINNEN

In de branding ramt het
strand met rust de oceaan.  
Ik praat met de ingebeelde sjamaan
die hier-nu-hier staat, in mijn broze aarde.
Dit is haar raad: 'als alles kleeft,
verdwijnen de randen’. De bril gaat af–
dat de waas me overmanne–en
het katoen verzuipt. We zweten.
Op de richel van het beton staat de hemel.
We zweten. We leven. Veel is de brutale zon. De
zon (die in verstek strepen trekt over
mijn wreven en mijn sleutelbeen).
Je roert me.