De brug

Daar zat je. De zon kwam op alweer met
verse krassen in de brug zonder overkant.
Je zocht mijn hand. Je stond op,
een halve mango met de pit in je wang je
sabbelt tot er geen vezel is meer.

“Hoe was je nacht?”
“Ging wel.”
“Ging wel?”
“Ik werd wakker. En toen kon ik niet meer slapen.”

Daar liep je. Elastiek en regenbogen.
In je vuist een plastic robot-
je dat je vond langs de rand van het water
lager bij de voet van de brug zonder overkant.
Je vondst, van jou. Een arm is achterstevoren
de ander brak bij het maken.

“Ik ga even dan.”
“Doe je voorzichtig?”
“Zeker.”
“Doe je heel voorzichtig?”

Daar stond je. Halverwege. Het waaide,
wind van zee; de reus van zout, zand en alles wat
meekomt van de kant waar de brug niet is.
Die wind die alles glad maakt mettertijd.

“Soms ben ik alleen met jou.”
“Dat wil ik niet.”
“...”
“Wat kan ik doen?”

Bengong.

Daar woonde je. Je opende de houten deur
totdat die goud werd, je schermde
je ogen van de zon bekeek de maan bij dag
bleek en bedeesd “een zucht op de hemel”
verzwolgen door het licht.
Dit was jouw maan,
ook mijn.

“Ja maar,
het duurt zo lang.”