Je bent waar

 

In deze droom die ik maak vind ik

je tussen de takken zo vaak, tussen de lakens.

Want, zeg je, je wilde hoger, en, zeg je, en dan

kijk je me veelzeggend aan zoals je blik me

nu zo vaak inhaalt, verdooft alsof ik nooit een woord,

nooit een woord gesproken had, zeg je dan,

zoals je weet is er niets dat, niets dat

hoger dan de bomen is.

 

Ik weet, je hoort mijn hart per slag betogen; dan

behalve de maan… dan behalve de sterren…

dan behalve de zon en soms de wolken, zeg je dan

en toch, zeg je dan (en ik weet dat je lacht of huilt),

zeg je dan, en toch is er,

is er niks hoger dan bomen.

 

En, zeg je, jezelf te vinden tussen de

dekens, de daken van bladen, zo boomhutten maken

en daar dan dronken van lust te vrijen

tot de nacht breekt, of nee, de planken,

de takken, de wortels en dan de landkaarten, dan

de aarde en dáármee de nacht, in jouw vrijen

dat van mij wordt in een zucht als een snee.

 

–zucht–

 

Doorgaans ben ik wat kleiner dan jij.

Ik heb zo’n zin je zo te, te beloven. Zo van:

Ik zal je je handen… en

ik zal je je lippen… en

ik zal je je haar… en dat het dan

zo zacht zo licht, met gordijntjes

en treintjes van vouwpapier, waarin je me

trouwt in alle talen opnieuw en opnieuw met de,

met de grootste feesten waar niemand komt

behalve jij en ik en ons orkest dat wel speelt

maar geluidloos anders dan het snikken

van de muzikanten. Ik, ik, ik denk,

je laat me maar even, in deze droom

die ik maak, laat je me maar even, even gaan,

je laat je been hangen tussen takken en lakens.

 

Dan ben je stil, hou je mijn hand vast, zeg je,

bang dat ik val, dat de hoogte niet van de droom was

en het zachtste van jou me niet kan omhelzen

Dat je er niet van slapen kunt.

Dat je armen krassen dragen.

Dat alles wat je droomt breken kan, zeg je. Dan.

 

Ja maar, jij,

jij bent waar.