Nu pas na pas

 

Ik pas je na

je, je stem verlaat

je soms je zin zinkt

in in een doline - metersdiep -

waar schaduw

dekent licht vertekent

lippen dieper dan bloed zijn.

 

Je handen halen in minieme

vouwpapieren vogels na die

die vliegen in vluchten,

net als je, als jij, als jij

toch eens mocht

zonder volgen samen gaan

in de wind waaiende schaduwlakens

achterlaten, die dolen over de stenende stad,

zonder jou dolen over de stenende stad.

 

Adem me nader tot de drom de

de horde struikelende

streven smachten wachten hopen

je verklemt; stof omwolkt, ruimte maakt

waar de tere vragen waar je

zonder zonder zinnelijk

zo in niets dan pijnlijk, lijfelijk.

 

Alles is dan stil.

Zelfs in de verte niets

niet in de zee niet

in het wildste woud

niet in deze dans

van de oudste liefde,

jouw oudste liefde

die genomen was

die ik nu

pas na pas

ontvlecht.