Dank

 

De poten van het bed laten als laatste,

de fotoalbums als eerste. Hun kleurig vlammen

hangt nog over ons, jaren.

Je verkruimelt je tranen zonder iets ermee

te blussen — om de weg te hervinden. Over

je huid waarin je wil woont in lichterlaaie;

rillend, bezweet, ontregeld, buiten adem.

De lakens vatten vlam, boeken spuiten

pedant letterreeksen — die verlicht.

Niets breekt in de wasemende wierook

van wat zonder ons. Je verontschuldigt

je koude handen onder mijn broeksband

op mijn onderbuik over mijn schaambeen

ik vouw het silhouttenspel uit, in het flakkerende licht

rijkt schaduw hoger dan ik. Ik speel ons

in donkere vlakken van vlammen omkranst,

waar we raken vervloeit het beeld, waar

we helen breken de tegels tot het plafond.

Je lieft "het is maar schijn", wrijft me

troostend hoger, "Hoe meer vergeteld

hoe dichter, klink in me." Ik geef.

Jij geeft. Nu alles bloost doven de sterren

nietig in ons klein geschreeuwde,

"Dank."