Dragen worden

 

Hij sluit zijn ogen.

Laat de wereld hier maar

even buiten.

Ik, ik, ik draag graag, hardop hoor

ik hoe dat, hoe dat dondert, de-de lawine

over het dal             op deze smetteloos

blauwe lucht.

Hij zucht. Hij slikt.

Hij breekt zijn stem af.

Net daar waar jij zou zijn.

Hij legt zijn hand op je heup,

praat pareltaal

je leed laagje voor laagje

bekleed met schuilen.

En toch, en en en toch

zeg ik: ik draag graag,

ik draag jou graag. Jou.

Ook. Ook ook ook

met met ijdelmij met

mijn mijn bokkig

laveren                  om de stilte

die ik versta.

Zijn stem kaatst in kleurvlakken -

verblindend. Zijn stemming achterna

hoog en ijl dan wiegend in een dal.

Hij weegt woorden nauwelijks,

staat met blote voeten in de dauw,

snijdt zijn hielen op de kiezels.

Zijn wanhoop draagt je.

Mijn lief. Mijn mijn mijn lief

zo ik het zie is dit hier kijk:

tussen mijn handen ben jij

of niets zie je:

ik ik ik ik ik

ik draag je graag.