Op een dag

 

Ze heeft een huis met één kamer,

een raam in het houten dak,

maar geen deur.

Vandaag is het verjaren.

De vallei staat stil.

Zonlicht zuigt de schemer

druipend uit de boombladeren.

Ze werd driemaal gewekt vannacht:

door de regen, door het krassen,

en nog eens maar ze wist niet hoe.

Er waren moeders die verwensten

dat licht hier niet kon komen.

Ze voedt de vogel.

Eet bosbessencake.

Laat dan haar huis.

Met de bloem in haar haar

en niemand die het ziet.

Ze heeft geen kleren.

Als ze vrijt bijt ze.

De schrammen spreken koor.

In het dal leegt ze haar adem,

graaft de diademen op die hier

verloren zijn verstoken van gebroken

godinnen, de kleine eilanden omheen

sproeten in de zee.

'Onder het gras woont niemand,'

herhaalt de vogel zacht van haar schouder

en pikt diamanten.

Met het dompenzon hoort ze

niets dan rinkel, ziet

niets dan schitter,

fluit naar huis.

Ze hangt ze paren.

Voedt de vogel,

leest haar boek,

eet rijst met jasmijn.

Ze slaapt maar wordt driemaal gewekt:

in de regen staat een man

in het krassen staat een man

een man houdt haar heup

onder zijn hand,

en huilt voor haar.

Ze sluit niets, lacht klein

en haalt adem.