Huis van poorten

 

Voldaan, het is volkomen

op de grond, gestrekte benen

alsof het zo regenende. Ligt ze,

voeten tegen de zee.

In het stuiven zand in haar handpalm

een traanfacette glazen

robijn van een kralengordijn.

Gevonden, hier op strand.

Ze ziet:

Ze scheurde de biesjes van haar jurk.

Kreeg ongenadig op haar falie.

Verloor daglicht als straf. Dagen aaneen-

geregen. Op een doekje uitgespreid:

een krijtje, een poppenbeen,

een pen waarin een vliegtuig over New York vlieg

en een plastic ring met een rode diamant.

Ze haalde er adem mee.

Nu ligt ze met haar hoofd in de zon

die ze zes keer kan zien,

scharlaken weerkaatst in de traan.

Ze zit rechtop. Ze staat, stapt achteruit,

en is thuis.

Naast de trap honderdacht lijstjes met

snuisterijtjes van de straat, het strand,

een krijtje uit de oude tuin, een zaadje

rood met een zwarte band, de ring van vrijer,

parfumhangers waar geuren en een bronzen olifantje

van onder de stoel, ze mij het eerst zag.

Ze legt haar laatste

bij gebrek aan plek

op een vaal roze biesje.