Onaf blijft

 

De sprookjes hebben zich ontwapenende

struikelwerkjes aangemeten

(bewaard voor de laatste pagina's),

ik niet. Ik niet. Ik ging in de nacht te stelen.

Daarbij, wat af is is voorbij.

Het meeste van wat ik gapte prevelt kant

in mijn handen: geuren, troost, vergeten.

De gordijnen zijn bijna gesloten.

Ik voer je, duw je in mijn kus.

Je bloost, "het broost

in de laatste paragrafen". 

Ik open mijn handen op tafel

waar pennenstreken groeven sleten

als een plaat. Jij zegt: "met liefdeslied".

Ik, hoor jouw stem vertellen. 

Natuurlijk valt de stroom nu uit.

In schemer streel ik je haar,

hou mijn hand op je keel. Tot het bedaart.

Je jurk is gescheurd. Je vouwt

de laatste bladzij op en over,

laat het beest met sluitende ogen binnen.