De zin ze zei

 

'Vind me',

vlinder je mijn stem, 'van de palm

loopt de zin.

Ik woon aan haar einde.'

Deze palm tikt haar top

tot op de grond.

Waar ik nu lig.

Aan de boom geknoopt

ligt draad woorden te kluwen.

Ik kan niet alles lezen.

Je voetschrift drijft

tot de branding, wast daar weg.

In mijn palm verrezen, nu

plakkend aan het zand

gaat de draad tussen

de dalen van je hielen,

strooit knopen

tot letters woorden

worden: de zin.

Ik volg.

Enkels in azuur

omwikkeld tot mijn heupen.

De zee laat de zon in scherven klateren.

Tussen schuimvlokken en de suggestie

van een kus duikt

de zin onder.

Ik er achteraan.

De ruis bolt op, de draad 

verstaat je stille taal.

In de zin ontspinnen verdrink en

kom ik je tegen. Op ons rug

zien we

boten over varen

pelikanen vissen

de zon

de maan

de rest.