Weerom weerom

 

Druppels slaan tegen de rode stenen.

Maar even, al snel staat het pad blank,

spat het op het zilverzwart.

We strijken nooit. We wassen oneindig.

Ik kijk door de ogen van de zon

die in glas-in-lood in de deur verankerd

naar buiten en naar binnen kijkt.

We praten met mate. We geven alles.

Alles glijdt van onscherpe gele

klanken in de rand mijn gezicht

naar heldere dingen in zachtblauw:

rozen, frangipane, gardenia.

We verdwalen. We zien herten.

Je komt achter me staan. Legt één hand

in mijn hals

één op mijn onderbuik.

‘De lucht is warm en vol als de zon straks weer gaat schijnen.’

Het water beukt de aarde van de planten,

werpt het met scheppen over de rand.

Je ademhaling in mijn rug verraadt je tranen.

De zon breekt. Het is avond.

Het licht is op. Het regent niet meer.

We hebben altijd zo gestaan.