Mijn toermalijn

 

Ze hadden schelpen aan de muur gehangen

met een lamp erin. In het licht kon je de zee horen. 

 

#

Het is later. De lampen zijn aan.

Ze zijn vroeg naar bed gegaan

maar konden niet slapen.

Hij had kramp in zijn kuiten,

zij zag de maan.

Ze vrijden en kregen de slappe lach.

Hij las haar voor uit een boekje

waar ze samen woorden uit krasten

totdat ze hun zinnen kregen.

 

#

Hij legde zijn hoofd in haar schoot

en huilde. Ze streelde zijn haar.

Het plafond was een beetje laag

en ook een beetje hoog, ze bedacht

hoe zijn tranen het bed zouden lichten

hoe ze dan, platgedrukt tussen kussen

en steen, hem zou verlossen.

Dan heeft hij even praatjes,

de koning van de speelplaats,

dan valt hij in slaap.

 

#

In zijn vingertoppen

zitten sneetjes van papier.

 

#

Ze telt zijn grijze haren, nu elke dag

een paar meer. Ze herinnert.

De maan gaat. Het is eb.

Ze valt langzaam in slaap.