Aan

 

Schrijft de kleine man

zijn naam hardop in het zand

als het giet,

met dikke vingers

die ruiken naar verlegen

zoet snoepen.

Hij zit en staart ernaar,

wie neemt zijn naam als eerste mee

de zee of de regen?

Zij, die de zijne zijn zal, graaft

met ingehouden adem een kuiltje

aan de andere kant van de wereld.

Daar bewaart ze haar

diadeem in en de pen die lievelings is

ze zit en staart ernaar

en telt al zestien kuiltjes.

Ze kijken elkaar

aan.