Broos

 

Mijn handen hebben krassen van het takkensnoeien

en nu is het eindelijk bijna avond. Ik was mijn handen.

 

De stap verteert in mijn wandel zo ik het dienblad naar je draag.

Naar de tuin waar jij bent. Waar je op me wachtte.

Met je handen in je schoot. Blozend. Al die jaren.

 

De oude theepot doorschijnt, verbleekt

van halsreikend te zijn, verteerd

van barsten in de aanslag. Er onder

het gekloste kant, gevlekt van morsen. Door je

wimpers een wereldkaart.

 

Er naast staat notentaart.

 

In de koppen marmeren klankloze uren: de groeven van zon

schemer. Het waait maar bladeren ritselen niet meer.

Ik schenk je. We delen kleine snuisterijtjes, broze suikerwerkjes.

 

Beloftes zijn voor voor het slapen gaan.

 

Je pakt mijn handen, laat je lippen en de blaren.

 

'Je bent er.'

'Ik ben er.'

 

De thee is zoet.

 

Nu zullen we waken of altijd slapen.