Omhels

 

Toen we zoenden,

die eerste keer

en gister,

sloot ik mijn ogen.

 

Gehuld in gebulder. De ruisende drukte

wachtte je in een aankomsthal

van een vliegveld van ver gekomen.

 

Lag je tussen zeven kussens,

net ontwakend.

 

Mijn zoenen toen,

mijn gulzige woordeloze lippen,

meer knoop dan troost, gristen

minder bang te breken

dan kwijt te raken.

 

We hadden elkaar nog niet

gezien.

 

Ik lag je zachtjes te staren.

 

Het moment te grijpen.

Met in lust gehulde wanhoop

overgoten van prevelen

onophoudelijk van houden van.

Dat lawaai als lussen werkt.

 

In de lakens kraakt voorzichtiger.

Je bent zo fijn. Het zal niet barsten.

Het moment te rekken.

 

Beter je met deze oogleden

te omhelzen dan met deze

onaffe handen.